zondag 17 september 2017

Kreperen

We staan op een camping in Saint Aygulf en zitten te genieten van een koel wit wijntje onder ons luifeltje. Aan de andere kant van het straatje meldt zich een nerveuze camper. Een klein manneke met een enorme klep aan zijn petje stapt uit en trekt zijn afgezakte korte broek op. Hèhè, die heeft zijn vakantiebestemming bereikt. Hij kijkt naar links en hij kijkt naar rechts. Zijn vrouw in keurig kleurig jurkje in bloemmotief komt achter de camper vandaan. Zij loopt resoluut naar een specifieke graspol en gebaart met beide gestrekte armen in een hoek van exact 90 graden waar zij de camper wil hebben. Het manneke schuift de klep wat achterover, trekt zijn broek weer op en dribbelt heen en weer. De vrouw laat haar armen zakken maar blijft duidelijk op haar strepen staan. De man loopt om de camper heen, kijkt naar de struiken, kijkt of zijn TV-schotel straks vrij staat. Hij heeft duidelijk een alternatieve plek in gedachte, gaat in de houding staan en spreidt eveneens beide armen onder 90 graden. ‘Hij wil liever daar gaan staan’, zegt Marijke. Ik denk er het mijne van, want de vrouw strekt haar beide armen nog resoluter dan de eerste keer in de bekende stand en stampt met haar rechtervoet op de grond.

De toon is gezet, hier past geen tegenspreken en hij stapt mopperend achter het stuur en manoeuvreert zijn kleine paleisje waar zijn koningin hem graag wil hebben. Zij blijft stokstijf staan, en op het moment dat hij haar bijna omver rijdt, slaat ze met de vlakke kant ‘pats’ op de achterkant. Het manneke stapt uit, en hijst zijn korte broek weer op. De vrouw verdwijnt in de camper. De man tovert een lange compleet-in-de-warre kabel uit de achterklep en begint de knopen er een-voor-een klungelig uit te halen. Hij sleept het hele gedoe naar een stroompaal en sluit de boel aan. Net als hij het andere eind in de camper wil aansluiten, komt zijn vrouw naar buiten met een enorme waterpas. Ze doet met beide armen gespreid een neerstortend vliegtuig na, ten teken dat de camper zo scheef als een hoepel staat. ‘Nou ja’, zegt Marijke, ‘die overdrijft toch wel verschrikkelijk’. Hij flikkert de zojuist ontwarde kabel aan de kant en pakt twee oprijstukken onder uit het ruim van de camper. Zij loopt met waterpas achter hem aan en wijst daarmee het linker voorwiel en het rechter achterwiel aan. Ze gaat vervolgens op gepaste afstand staan en het zielige kleine manneke legt die oprijstukken zorgvuldig tegen de wielen, stapt in en start de motor. Breedvoerig stuurt ze hem die oprijblokken op. Die staat prima, dacht ik bij mezelf. Maar zij wappert met die waterpas, en met de duim en wijsvinger van haar andere hand dat hij nog zeker 5 centimeter verder moet. Poeff, kedengg, klieng, klang, godverrrr . . . ‘Dat was dus iets te ver’, zegt Marijke en ik barst in lachen uit. Maar voor dit betreurenswaardige manneke is dit duidelijk heel normaal. Hij stapt uit, trekt wederom zijn te wijde korte broek op en begint een moeizame hersteloperatie. De vrouw weet van geen ophouden en blijft wapperen met die ene hand. Maar hij zet ‘m half op die blokken, trekt resoluut de handrem aan, stapt definitief uit, trek zijn wijde broekje vastberaden op en sluit de stroomkabel aan. Die zit! Zij haalt de schoudertjes op en verdwijnt in haar knibbel-knabbel-knuisje.

Hij is nu niet meer te stoppen, als een opgedraaide ADHD-er draait hij de luifel uit en zet die vast met twee scheerlijntjes. ‘Die staat niet lang’, zeg ik tegen Marijke, ‘het waait veel te hard’. Maar het kleine manneke sleept zich verder te barste over zijn zojuist verworven perceeltje met twee te grote tuinstoelen, twee voetenbankjes en klapt een veel te grote tafel uit. Zij komt naar buiten in uitgesneden badpak, zet de handen in de zij en schopt met haar rechter slipper tegen de zanderige ondergrond. Hij vliegt rechtop, trekt voor de zoveelste keer zijn broek op en kijkt naar links, naar rechts en dan naar ons. Wij zitten rustig te nippen aan ons witte wijntje, op onze bescheiden tuinstoeltjes maar wel op een keurig goed vastgespijkerd vloerkleed. Het manneke dribbelt naar het ruim achterin zijn niet meer zo vorstelijke paleisje. Even later komt hij met een enorm vloerkleed, dat hij verschrikkelijk onbeholpen onder zijn te grote tuinstoelen en tafels probeert te frommelen. Hij is nog lang niet klaar met zijn klungelige klus als een stevige windvlaag onder zijn te grote klep komt. Zijn petje vliegt wel 20 meter ver weg, en ik kan m’n lach niet meer inhouden. ‘Jan, alsjeblieft, gedraag je’, zegt Marijke. ‘Nou ja, hij is er zelf mee begonnen, toch?’, probeer ik me hakkelend te verdedigen. Als hij zijn petje heeft weten te redden en weer terugloopt, komt de volgende windvlaag onder dat enorme vloerkleed. Wat een ellende, denk ik bij mezelf. Ik krijg nu echt medelijden met dat manneke.
 
‘En kijk madam daar eens zitten’, zegt Marijke. Zijn vrouw in haar strakke badpak heeft een van die grote tuinstoelen verplaatst naar de buren, waar ze languit in de luwte van een struik met gestrekte beentjes ligt. Met de rug naar haar man, die nu te veel handen tekort komt. De luifel wordt weer ingedraaid, vloerkleed weer zo goed als zo kwaad opgevouwen. Net als hij zijn tuinstoel, de twee voetenbankjes en de grote tafel weer in de juiste formatie heeft geplaatst op het vermaledijde zand, daar komt mevrouw weer naar buiten. ‘Och god, hij moet eten klaarmaken’, verslikt Marijke zich bijna in haar Chardonnay. Want zij legt twee plastic verpakkingen en een rol aluminiumfolie op tafel. En ja hoor, hij schuift zijn klep naar achteren, krabt zich op zijn voorhoofd en zet de pet weer recht. Zijn hemd hangt intussen slordig uit zijn broek en hij trekt met nog meer moeite zijn broek op. Uit het intussen welbekende ruim komen achtereenvolgens een uitklaptafeltje, een gasstelletje, een gasfles en een blikken windvanger. ‘Ik ben benieuwd hoe dat gaat met die wind’, mompel ik. Hij schijnt het gehoord te hebben, want hij tovert zo’n grote stoffen driehoek uit het onuitputtelijke ruim. Een onmogelijke strijd begint om dat flapperende doek te temmen. Een punt probeert hij vast te zetten aan zijn fietsenrek, en het andere met een onwillige haring in de grond. Heel zielig constateert hij dat de afstand van het derde punt van zijn doek naar die verrekte boom ietsjes te ver is. Geen nood, hij duikt voor de zoveelste keer in het ruim en komt met een kekgeel koord tevoorschijn. Maar net voordat hij trots kan zijn op zichzelf dat het hem eindelijk gelukt is!? Daar draait die verdomde rot wind en het doek flikkert zijn gasstelletje omver. Ik heb het niet meer.

Je gelooft dit niet, als je het niet zelf gezien hebt. ‘Volgens mij is die vrouw ziek, misschien heeft ze wel last van de warmte’, probeert Marijke haar eigen geslacht nog enigszins maar vergeefs te redden. Want zijn vrouw zit al die tijd met de rug naar hem toe, op het perceel van de buren, languit uitgestrekt te genieten van de heerlijke middagzon.

Het manneke is met de etenswaren-in-plastic richting toiletgebouw gelopen. Tien minuten later komt hij terug met een piepklein pakketje keurig in de aluminiumfolie gewikkeld. ‘Dat zal het avondeten zijn’, mompel ik weer. Maar wij moeten gaan borrelen bij m’n zwager en schoonzus. Als we wat later teruglopen naar onze camper zitten de overburen vreedzaam naast elkaar achter de struiken op het perceeltje van de buren. Voor hun camper staan twee voetenbankjes en een veel te grote tafel!
’s Avonds loop ik nog even naar het toiletgebouw, onze overburen zijn inmiddels ook naar binnen. Een driftige TV-schotel draait dat het een lieve lust is op zoek naar de een of andere Astra-satelliet. ‘Potverdomme, zie je nou wel’, laat ik me ontvallen. Die krijgen never nooit beeld, want op het zuiden gericht streelt de TV-antenne steeds weer een enorme tak van een boom. Nou ja, dan hebben ze misschien eindelijk de kans om een goed gesprek te voeren, of een gezelschapsspelletje te doen. Misschien gaan ze wel op tijd naar bed en doen ze een leuk spelletje onder het dekbed, wie weet?

De volgende morgen als ik buiten kom om een stokbroodje te halen, is de plek aan de overkant alweer leeg. Een kekgeel koordje aan de boom herinnert me eraan dat het allemaal echt gebeurd is gisteren. Het campingleven valt niet altijd mee, soms is het ook een beetje kreperen en het blijft regelmatig de broek ophalen.

dinsdag 12 september 2017

Bommel zonder Bulten

Er was eens een heer van stand in het kleine pittoreske Rommeldam. Hij heette eigenlijk voluit Olivier B. Bommel van Bommelstein, maar mensen noemden hem gewoon respectvol Bommel. Op een avond ging hij na zijn eenvoudige doch voedzame maaltijd lekker onderuit zitten in zijn gemakkelijke fauteuil naast het knapperende houtvuur onder de grote doch oergezellige schouw. Zijn onafscheidelijke vriend Tom Poes ging schuin tegenover hem zitten op zijn gebruikelijke poef. Joost schreed het vertrek binnen met een zilveren dienblad op zijn vijf uitgestrekte vingers, die zorgdroegen voor voldoende balans aan een glas vuurrode Côte du Staay Superieur. Tom Poes keek op naar Bommel en zei: ‘ Zou U dat wel doen heer Bommel?’. Maar die ontstak zijn pijp met hulp van een takje dat hij uit het oh zo gezellig knetterend houtvuur had gepakt. Bommel blies een grote rookwolk uit, en dacht zichtbaar na en zei: ‘ Zoals mijn goede vader al zei’. Tom Poes wachtte geduldig af wat zijn goede vader hem dan wel had verteld, maar Bommel verzuchtte terwijl hij door het wijnglas keek: ‘En daar houd ik mij aan!’.

‘Over mijn goede vader gesproken, het lijkt me cultuurhistorisch van groot belang om al onze voorouders van Rommeldam in kaart te brengen’, vervolgde Bommel. ‘Dan moeten we de mensen van d’n Bokkel en Hout-Bommel zeker niet vergeten’, vulde Tom Poes aan. ‘Verzin toch eens een list jonge vriend. Geld speelt geen rol’, zei Bommel en ging er eens breeduit voor zitten. De rokende pijp in zijn linkerhand, het glas met het kostbare Staayvocht in de ander. Zijn camelkleurige jas, met ruiten van rode en zwarte strepen omzoomden zijn weldoorvoede ronde buik. Tom Poes staarde in het vuur en zweeg. Bommel ging verder: ‘Een heer moet ook alles alleen doen’. Maar die opmerking bracht Tom Poes op een idee: ‘Ik denk dat we de hulp inroepen van Anna Marie Doddel, maar zonder de expertise van onze genealoog Kwetal zal het nooit lukken’. ‘Hier ligt een mooie taak’, sprak Bommel de wijze woorden, ‘zoals mijn goede vader zei’.

Maanden, jaren gingen voorbij, en zorgvuldig onder de bezielende leiding van Kwetal groeide een Gezinsklapper voor Rommeldam, d’n Bokkel en Hout-Bommel. Elke vergadering begon Kwetal met de bezielende woorden: ‘Heer Bommel is een groot denkraam’, om daarna zelf met het volgende lumineuze idee te komen. Alle gezinnen met hun onderlinge relaties tussen 1433 en 1920 werden zorgvuldig uit de parochieboeken getranscribeerd, gecontroleerd en geanalyseerd. ‘Misschien kunnen we eerst kijken of er al iemand stukjes heeft uitgewerkt?’, had Anne Marie Doddel geprobeerd. ‘Nee, dit wordt een uniek stuk werk waarbij geen enkel detail wordt vergeten! Elke ondoordachte fout zou heer Bommel vreselijk vinden’.

De tijd verstreek. Op een avond zaten Kwetal, Anne Marie Doddel, Tom Poes en heer Bommel voor de grote open haard. Kwetal was zichtbaar opgewonden, getuige zijn hoogrode koontjes. Toen Kwetal heel trots de nieuwe Gezinsklapper had gepresenteerd, waren zes ogen strak gericht op heer Bommel. Er viel een doodse stilte, de grote deur ging piepend open en daar schreed Joost het vertrek binnen met een zilveren dienblad met daarop vier kristallen wijnglazen met Côte du Staay Superieur. Ieder nam een glas voorzichtig bij de voet van het kostbare glas en de stilte nam adembenemende vormen aan. Heer Bommel stond op en stak zijn glas omhoog, het houtvuur schitterde door de vuurrode wijn in zijn glas. ‘Uniek, werkelijk uniek’, sprak Bommel plechtig, ’als je begrijpt wat ik bedoel’. Het was nu de zorg dat alle, maar dan ook alle Rommeldammers inzage kregen in dit gigantisch eerbetoon aan al hun voorouders. ‘Geld speelt geen rol’ zei Bommel en zo werd besloten dat de Gezinsklapper op papier in het archief van Rommeldam kwam te liggen, maar ook digitaal op het RWW (Rommeldamse-Wide-Web). En die hem thuis in alle rust wilden bekijken konden tegen kostprijs een DRD (Digital-Rommeldamse-Disc) bemachtigen. ‘En die er dan nog niet uitkomen, nodigen we uit in de leesbibliotheek van Bommelstein’, sloot Bommel af. En Joost mocht het weten, want hij knikte decent naar heer Bommel.

Anne Marie Doddel schreef alle mensen van Rommeldam, d’n Bokkel en Hout-Bommel aan. Ook de mensen die inmiddels elders hun emplooi hadden gevonden. Maar één van de geniepige Rommeldammers hadden ook Andreas Q.X. op den Bulten op de hoogte gebracht. Hij heette voluit Andreas Querulijn Xaverius markies de Canteclaer op den Bulten, door de bewoners van Rommeldam steevast respectloos Canteclèr genoemd. Het is een hooghartige haan, die vanachter zijn lorgnet neerkijkt op de mensen. Hij leefde teruggetrokken op Troebelo en liet een paar van zijn weinige ‘amices’ in accoord werken aan zijn online Hanengezang en Vleugeljaren. Hij kon maar niet aantonen dat hij van adel was, en liet geen enkele mogelijkheid onbenut om heer Bommel neer te halen. Bij het zien van de uitnodiging voor de unieke Gezinsklapper van Rommeldam schijnt hij geroepen te hebben: ‘Parbleu, wat denken die wel? Goede sier en gewin halen met mijn hanige opdracht. Fi donc, wat denken die horige Bommel en die plagiaatzuchtige Kwetal wel niet?’ Canteclèr stuurde een galspuwend klaagschrift aan iedereen die het maar horen wilde. Ook naar onze integere heer Bommel en zijn jonge vriend Tom Poes.

‘Hoe vreselijk is dit alles! Verzin toch eens een list jonge vriend!’, reageerde heer Bommel nogal ingetogen en nuchter.
Zijn jonge vriend dacht na, heer Bommel verwachtte van hem een bondig standpunt. ‘Kwaliteit verloochent zich niet’, fluisterde Tom Poes zachtjes en weloverwogen, ‘uiteindelijk zal ook hij moeten vaststellen wat een uniek stuk werk u hebt geleverd heer Bommel. Zijn hooghartigheid zal struikelen over zijn eigen onbenulligheid. Vanaf nu zullen we hem zijn ‘parbleuse’ Troebelose pad ongemoeid laten voortploeteren en hem voortaan negeren’.

‘Als U begrijpt wat ik bedoel’, eindigde Tom Poes. Heer Bommel keek hem aan, en beiden schoten in een proestende slappe lach.

zaterdag 9 september 2017

IRMA HÉÉL DICHTBIJ

We staan in Millau op een camping aan de oever van de onrustige Tarn. In de verte zien we die bekende brug als een scherpe witte pentekening afgetekend in het landschap en voor de rest zijn we omringd door imposante bergmassieven. Gekleurde Delta-vliegers fladderen als zenuwachtige vlinders tegen de azuurblauwe lucht. ‘Irma bedreigt mogelijk Sint Maarten’, schettert het nieuws op de televisie. Marijke kijkt me met grote ogen aan: ‘Daar krijgen Frank en Nathalie dan ook last van, toch?’.

Via de bekende sociale media zoekt Marijke contact met haar zoon. Inderdaad, die hebben al driftig planken en spijkers ingeslagen. Maar een moeder is niet zo vlug gerustgesteld en ze meldt zich aan bij Hurricane-2017. ‘Irma is zo groot als Frankrijk en groeit naar categorie 5’, mompelt ze. ’s Avonds op het journaal kraait er eentje dat Irma recht op Sint Maarten afstevent. En het is de zwaarste orkaan ooit. Twee angstige ogen staren me aan. ‘Nou, ik denk dat Frank wel een veilige schuilplaats zoekt voor Nathalie en de twee hondjes’, probeer ik het wat af te zwakken. Tegelijkertijd komt Plasterk in beeld, ze sturen alvast 100 militairen naar Sint Maarten om assistentie te verlenen. ‘Hèhè, die zullen ze niet alleen met een zandschepje sturen. Die houden ons wel op de hoogte’, mompel ik. Maar een moeder, waarvan een kind in gevaar dreigt te geraken, is niet meer gerust te stellen. Ze slaapt niet die nacht, en als ik ’s morgens wat schuldig wakker wordt, zit ze met een tablet op schoot.

‘Irma komt recht op Sint Maarten af, en volgens mij is Frank nu ook echt zenuwachtig’, zegt ze tegen me. ‘Hoezo?’, vraag ik. ‘Hij heeft om half drie vannacht nog een verwarrend berichtje gestuurd, en hij eindigde met alles kan kapot, what ever happens, happens!’. We zetten het ochtendjournaal aan. Een of andere onbenul legt nogal plastisch de verschillende orkaankrachten uit. Bij ‘1’ heb je wat moeite om te blijven staan. Bij ‘3’ vliegen de eerste pannen van het dak, bomen knappen als luciferhoutjes en puin vliegt in het rond. Bij orkaankracht ‘5’ wordt alles verwoest, geen steen blijft op de andere, niets wordt gespaard en er vallen gegarandeerd slachtoffers! En als extra zout op de wonde meld hij dat Irma eigenlijk categorie ‘6’ zou zijn, maar die bestaat niet, omdat categorie ‘5’ al alles verwoestend is. ‘Potnondedjuu, wat een enorme klootzak’, schreeuw ik door de camper. Nou heeft Marijke paniek fase 10 bereikt, die is nooit meer rustig te krijgen. En we rijden die dag ook nog eens van Millau naar de Côte d’Azur. Het wordt een stille rit met alleen open onbeantwoorde vragen van ‘Hoe zou het nu op Sint Maarten zijn’, gevolgd door een diepe zucht. ‘Zullen ze genoeg te eten hebben’, gevolgd door een diepe zucht. ‘ Zullen ze nog . . . . ‘, gevolgd door een diepe zucht.

Irma jaagt over Sint Maarten en woedt in Marijke. Wij rijden in grote onzekerheid door Zuid-Frankrijk. Daarna wordt het stil, doodstil. Op Youtube verschijnen de eerste filmpjes van een verschrikkelijke ramp. Van die etterige grapjassen zetten er verschrikkelijke filmpjes en foto’s op van eerdere rampen, die niets, maar dan ook totaal niets met Sint Maarten te maken hebben? Ik begrijp dat niet! Maar ja: ‘Slecht nieuws trekt veel kijkers en veel likes’. Klootzakken. Objectiviteit is ver te zoeken, en dat hebben we nu nodig.

Informatie ook, Plasterk komt meerdere malen in beeld en weet niets! Zouden die 100 militairen dan toch gewoon met een zandschepje in hun veilige schuilbunkers zitten te klaverjassen? Hebben ze die geen cameraatje en zendapparatuur mee gegeven? Het zal toch niet? President Macron geeft een officiële persconferentie en meldt de eerste doden en gewonden. Plasterk kijkt bij elk nieuwsitem steeds wanhopiger en weet nog steeds van niks! Eindelijk weten ze een helikopter boven het eiland te laten rondcirkelen die de eerste nietszeggende beelden laten zien. Wij zitten met onze neuzen tegen ons kleine TV-schermpje gedrukt maar worden niet veel wijzer. Er is op Sint Maarten geen internet, er is geen telefonisch contact. Het is bijna om gek van te worden.

We zitten achter onze camper met een kopje muntthee. We zitten ons op te winden! Hoe zou het zijn als dit op Terschelling was gebeurd. We leven toch in 2017, we weten altijd exact waar iets gebeurt. Waar ook op deze wereld, behalve op Sint Maarten? Als je toch dagen van tevoren weet dat er iets gebeurt, dan tref je toch maatregelen? Rutte maakt zich nu waarschijnlijk druk over het verhogen van het eigen risico, en Buma oefent alvast het Wilhelmus. Daar gaat binnen de telefoon! Marijke vliegt op en rent om de camper en valt letterlijk languit naar binnen. ‘Ik ben te laat! Het is een onbekend nummer!’. ‘Neem maar mee naar buiten, en bel maar terug!’. Ze probeert terug te bellen, maar er wordt niet opgenomen. Ze legt het toestelletje tussen de twee kopjes muntthee. De spanning stijgt ten top. Ze vraagt totaal overbodig wat ze moet doen, als dat ding zo meteen hopelijk weer overgaat. We kijken elkaar afwachtend aan, het hart klopt ons in de keel.
Het mobieltje gaat over, Marijke grijpt hem en swaipt naar rechts: ‘Hallo . . hallo’. Ze kijkt me wanhopig aan: ‘Ik versta niks, de verbinding is heel slecht . . hallo . . . hallo’. Ze reikt me het mobieltje wanhopig aan en ik luister ingespannen. De verbinding is heel slecht en hakkelend, op de achtergrond hoor ik stemmen. Maar dan herken ik de stem van Nathalie. Ik roep: ‘Nathalie, hoe is het met jullie, hoe is het met je, hoe is het met Frank, hoe is het met de hondjes?’. Het is goed met Frank en Nathalie en de twee hondjes, alleen hun huis en haard is een ‘mess’. Ik herhaal steeds weer diezelfde vragen, en hakkelend en stotend komen geruststellende geluiden uit het mobieltje. Het verlossende stemmetje van Nathalie klinkt als een engeltje in de kerstnacht. Ik bedank haar wel vijf keer voor dit telefoontje en neem even vaak alvast afscheid voordat de broze verbinding verbroken wordt.
Even later slaan we de armen om ons heen, tranen vloeien van blijdschap. De muntthee is intussen koud geworden. Maar het slappe groenige aftreksel ontspant wel. We kunnen weer lachen. We besluiten vanavond heerlijk ergens buiten decadent te dineren.

De volgende dag komt eindelijk de ware omvang van de ramp tot ons. Alleen Plasterk weet nog van niks. Maar gek genoeg kunnen we het nu hebben. Rutte geeft een nietszeggende persconferentie: ‘We zullen de mensen van Sint Maarten niet in de steek laten’. Gelukkig hoeft deze keer de onderste steen niet meer boven te komen, daar heeft Irma wel voor gezorgd.

woensdag 28 juni 2017

Harry’s laatste wedstrijd ?

Ik keek ’s morgens nog naar de deelnemerslijst op Atletiek.nu. Er is zomaar een avondwedstrijdje bij AV Weert, de zoveelste van het Limbra-circuit. Enkele Brabantse en Limburgse atletiekclubs hebben de koppen bij elkaar gestoken om regionale atleten niet-ver-van-huis een reeks wedstrijden te bieden. Dank aan die clubs die de handen uit de mouwen steken, een geweldig initiatief.

Heej, wat leuk, Harry van den Heuvel staat ook op de lijst voor kogelstoten en kogelslingeren’, roep ik.
‘Dan wordt het in ieder geval weer een gezellige avond!’, zegt Marijke.De 74-jarige Harry van den Heuvel (Atletiekvereniging Valkenswaard) loopt zo’n beetje als een rode draad door mijn 60-jarige aaneengesloten atletiek-carrière. De bijzonder sympathieke en innemende verschijning is een toonbeeld van wat atletiek behoort te zijn: fanatiek, gezellig, sociaal, doorzetten, trouw, inzet voor de club, de sport en aandacht voor de individuele atleet. Alle ingrediënten bij mekaar gehusseld in die oergezellige Brabander. Marijke en ik melden ons ’s avonds in Weert, we zitten net aan de koffie wanneer ik een hand voel op mijn schouder:
‘Hallo Harry, leuk om je te zien, we gaan d’r weer samen tegenaan’, ik sta op en wil zijn hand schudden.
‘Nee Jan, eerst Marij’, en hij laat me even voor joker met mijn uitgestoken hand staan. Zo is Harry, altijd volgens de etiquette en correct tot in de puntjes. Zijn rechterhand pakt die van Marijke en de ander wordt bemoedigend op haar schouder gedeponeerd.
‘Hoe is tie Marij . . ‘, en ik doe even niet mee. Maar dan pakt hij mijn hand en we begroeten elkaar als echte atletiekvrienden.
‘Dit is alweer de derde wedstrijd samen Harry’, heb ik vlug uitgerekend, ‘die van Jan Smit, de avondwedstrijd in Valkenswaard en dan vanavond’. Het gezicht van Harry betrekt, er valt even een stilte.
‘Dit wordt waarschijnlijk mijn allerlaatste wedstrijd . . . .’, mompelt Harry.‘Nee, dat geloof ik niet, dat kan ik niet geloven, dat wil ik niet voor waar accepteren . . . ‘, schreeuw ik bijna.
‘Ja, het wordt allemaal een beetje te duur, enne het zit allemaal een beetje tegen . . . .’.Ik ben compleet uit het veld geslagen en staar naar mijn oudere atletiekvriend. Na zijn droevige mededeling is hij blijkbaar ook even de weg kwijt en zit ongelooflijk te klungelen om zijn borstnummer 330 vast te spelden. Het lukt hem niet meer, Marijke staat op en vraagt:
‘Zal ik je even helpen Harry’, en zonder antwoord af te wachten wordt zijn startnummer keurig recht vastgespeld. Intussen vliegen allerlei beelden uit het verleden door mijn hoofd. Waar kwam ik Harry wel niet tegen?
‘Potverdomme Harry, ik weet nog van toen ik pas senior was, dat jij de Kempische kampioenschappen organiseerde. Ik zie je nog van alles regelend over het veld stiefelen, volgens mij was je ook nog speaker’.
‘Ja, dat heb ik ook jaren gedaan’, antwoord hij droefgeestig.
‘Wij van Festina bleven altijd lang hangen na de wedstrijd! En jij vond dat blijkbaar zó gezellig dat je een handvol consumptie-muntjes op ons tafeltje strooide. Potverdomme Harry, jij weet wat klantenbinding is, wat PR voor je club is . . .’.Hèhè, gelukkig, Harry tovert weer een brede glimlach op zijn Bourgondische snuit.
‘Jaha’, zegt Harry, ‘ik heb ook nog 20 jaar de jeugd getraind en ik geloof nog zo’n 7 jaar actief geweest voor d’n bond’. Nou dat allemaal uit zitten tellen wat ie zoal gedaan heeft, dat hoeft voor mij niet. Ik weet wat ie voor onze atletiek betekend heeft, en nog betekent. Dat hij Brian Lesterhuis nog discus heeft geleerd met een autoband, ik weet het allemaal wel. Ook dat ziekte en blessures hem niet gespaard zijn gebleven. Maar ook hoe hij dat met zijn positiviteit heeft gedragen en naar zijn omgeving vrijuit communiceerde.Ik wilde het eigenlijk niet horen, maar tussen neus-en-lippen door begreep ik dat de relatie met zijn club méér uit geven, dan uit geven-en-nemen bestond. Ik wil dat eigenlijk niet horen, want dat doet zelfs mij pijn. Ik weet dat nieuwe bestuurders maar al te vaak meer affiniteit hebben met hun eigen ego dan met onze atletiek. Het is niet anders.
‘Harry, stop asjeblief niet uit wrok. Want ik weet dat je het allemaal verdomde graag gedaan hebt, met een niet loslatende liefde naar alles wat met atletiek te maken heeft. Laat dat niet toe’.
‘Nee Jan, dah wit ik wel, maarre . . .’.Onze namen worden opgeroepen bij de kogelring. Harry is dik tevreden met zijn 6.03 meter, ik met mijn 11.42 meter. Ons gesprek verplaatst zich naar de slingerkooi. Harry is zeer in zijn nopjes met 14.13 meter en ik niet zo met mijn 37.55 meter. De lezer zal misschien denken, dat is een groot verschil. Maar voor Harry en mij zijn geworpen afstanden er niet om persoonlijke afstand te creëren. Nee, onze atletiekbeleving brengt ons veel dichter bij elkaar. De wedstrijd is afgelopen, Harry neemt afscheid: 
‘Ja, ik wil niet te laat thuis zijn, morgen avond ga ik weer naar het koor’.We geven elkaar de hand, en ik doe dat wat overdreven op zijn Harry’s. De rechterhand met gevoel zonder te knijpen, de linkerhand bemoedigend op de schouder.
‘Harry, het was weer gezellig vanavond. Tot de volgende keer, en waar dat maakt potverdomme niet uit. Als het maar in korte broek op een atletiekveld is’. Marijke en ik kijken hem na als hij met gebogen hoofd het sportpark afloopt. 

‘Die man verdient een standbeeld’, mompelen we bijna in koor.

woensdag 22 maart 2017

Verkiezingen met een vleugje . .

We staan op een camping in l’Estartit in Noord Spanje. Op een ruime plek tussen vier nog kale moerbeibomen. De knopjes zitten er wel al in, ze steken eigenwijs groen en glimmend omhoog. Ik heb er even aan gevoeld, ze plakken. Ja, ik had het kunnen weten. Marijke zit in het zonnetje te lezen en ik loop maar weer eens een rondje op de camping. Ik moet altijd wat doen en loop op het geluid van een motorzaag af. Twee mannen, donker gekleed in lange broek en dikke trui, zijn bezig een boompje van drie meter te verwijderen. Ik noem ze al een paar dagen Hepie & Hepie, waarom weet ik niet. Ze zijn de hele dag wel ergens op de camping, maar volgens de schatting van een ouwe bedrijfskundige maar 5% aan het werk. Mijn handen jeuken, maar ik bedenk me en hou me in. Want die boom is hun hele dagtaak, en als ik vijf minuten ga helpen, ligt die boom al op de gereedstaande aanhanger. Ja, want Jos en ik deden wel drie van heel wat andere knoepers van 30 meter in één dag. Lekker de hele dag buiten bufferen en dan plakkend van het zweet de dag afsluiten met een brok kaas en een heerlijk glas wijn.
Ik loop verder langs het enorme grote raam van het binnenbad. Ik kijk naar binnen, drie oudere dames zwemmen in gezapig tempo op en neer. Ik kijk naar de bekende maar overdreven spreid-sluit bewegingen. Het lijken wel van die enorme kikkers, maar wel met een badmuts op! Ja, want dat moest van de receptie. Zelfs ik met mijn gladgeschoren schedel moet een badmuts op. Ik kon er eentje bij haar kopen voor drie euro, zei de vriendelijk dame met een glimlach. Nou ja, we gingen toch maar eerst even binnen kijken. Het was net of ze een klamme warme vochtige badhanddoek over je heen gooiden. Ik rook een chloorlucht vermengd met ondefinieerbare etherische oliën. Bij de ingang stond op het bord dat de temperatuur van het water 29 graden was. ‘Kom maar, daar ga jij toch niet in’, verwoordde Marijke mijn gedachte. ‘Nee, dan liever met 15 graden in de Middellandse zee’. Nu sta ik wat ongegeneerd voor dat grote raam naar drie van die spreid-sluitende bejaarde dames te koekeloeren. Een van hen strompelt via het trapje het bad uit, dat gaat duidelijk moeilijker dan dat spreid-sluiten in het bad. Aan de roestvrije metalen reling trekt ze zich moeizaam het water uit. Volgens Marijke kijken wij mannen altijd het eerst naar de borsten en de billen. In dit geval vielen mij toch echt eerst die dunne knokerige armpjes en beentjes op. De verdere wat vormloze romp was verpakt in een donkerblauw degelijk badpak, waaruit duidelijk zichtbaar die etherische oliën dropen. Ze draaide haar hoofd naar het grote raam. Een vinnige blik ketste tegen het raam, vanonder die rimpelige witte badmuts, waaronder uit ook nog eens een paar grijze natte haarlokken eigenwijs priemden. Ik voelde me betrapt, knikte desondanks vriendelijk naar haar en ik liep maar weer door.
Vanmorgen zaten we gezellig te ontbijten in onze camper. Marijke twee sneetjes met hagelslag, en ik drie. ‘Goed geslapen’, vroeg ik. ‘Héérlijk, en jij, nog wat gedroomd vannacht?’, antwoordde Marijke. ‘Ja, maar dat is heel erg moeilijk te vertellen bij een boterhammetje hagelslag’, zei ik.
Ook hier in Spanje ontkomen we niet aan die verkiezingen op TV en al dat gedoe in Amerika en Turkije. Wij ouderen snappen daar steeds minder van. Je krijgt het toch maar allemaal voorgeschoven, en al die indrukken worden vermengd met de dagelijkse beslommeringen op de camping. En mijn bijna 70 jaar oude hersenen krijgen dat bijna niet meer verwerkt. Meestal lukt het me om daar ’s nachts wat structuur in aan te brengen, weer alles een plaatsje te geven tussen die trage grijze cellen. Maar vannacht niet, ik had niet één rustgevende droom, maar ik schoot wat paniekerig van de ene enge droom in de volgende nachtmerrie.
Ik had toch de stoute schoenen aangetrokken, sterker nog, mijn bergschoenen. Verder ondanks het warme zonnetje had ik me in mijn lange trainingsbroek en fleece-trui gehesen. Ik stap op Hepie & Hepie af en biedt mijn hulp aan. ‘Wat moet er deze week gekapt worden’, vroeg ik de verbaasde Spaanse Bassie & Adriaan. En een half uur later ligt de eerste uitgeleefde moerbeiboom al op de aanhangwagen. Heerlijk, ik ben weer in mijn element. ‘Waar staat het volgende kreng?’.  Maar er ontstaat plotseling rumoer op de camping, een heel zootje van die grijskuiven rept zich van de ene naar de andere camper. Ook Hepie & Hepie worden ontboden op de receptie, ik loop gedwee achter hen aan. Op het grote TV-scherm op de receptie zie ik dat Pechtold in de boeien geslagen wordt weggevoerd. Gelukkig staat onderaan het scherm van CNN te lezen in voor mij begrijpelijk Engels wat er is gebeurd. Had die gekke Pechtold in Istanbul toch de Blauwe Moskee afgehuurd. Hij wilde de in Turkije wonende Nederturken toespreken en overhalen om komende 15 maart hun stem niet verloren te laten gaan. Nee, Alexandertje nodigde alle Turken uit om in Nederland te komen genieten van het ‘beste’ onderwijs. Met die nadruk op die ‘b’ van beste. Hij stond voor de massaal met Turkse en Nederlandse vlaggen zwaaiende massa te oreren dat we allemaal gezamenlijk naar één groot Europa moesten. Maar oh jeej, dat was voor de ordetroepen van Erdogan toch iets te veel van het goeie. Want die wilde natuurlijk wel naar één groot Turkije, maar daar moest de voormalige EU ook logischerwijs onder vallen. En nu stond hij daar, handen geboeid op de rug, de altijd correcte haarlok nu slordig op het voorhoofd. Het huilen staat hem nader dan het lachen, de knoop in zijn stropdas maakte een geweldige draai naar rechts, zijn onderlip trilde.  Daar komt Rutte in beeld: ‘Tja, een beetje dom van meneer Pechtold, een bevriend staatshoofd compromitteren is niet netjes. Dat brengt ook nog eens de vluchtelingendeal met de Turken in gevaar’. En ineens schakelt CNN over naar Erdogan. Met gestrekte rechterarm en schuimbekkend brult hij woest in de camera: ‘Dat noemen ze nou in het Westen democratie. Hier komen oproepen voor beter onderwijs en vrijheid van meningsuiting. Allah akbar, opsluiten die nazi’s . . . .’.
Net op dat moment komt Marijke de receptie binnen: ‘Vlug Jan, kom mee, er is iets verschrikkelijks gebeurd met Wilders’. En zo snel als mijn verrotte linkerknie dat toelaat hompel ik achter haar aan. Mijn ogen zoeken meteen ons klein TV-schermpje in de camper, en daar staat hij vol in beeld. Wilders in een vaal blauw-wit gestreept boevenpak, zich vasthoudend aan van die dikke verroeste tralies. Een hele troep Marokkanen met bloed doorlopen ogen bespugen hem en roepen: ‘Wilders . . minder . . Wilders . . minder . . ‘. Maar Wilders staat fier rechtop en glimlacht fijntjes. Ik zeg tegen Marijke: ‘Potverdorie, dat ziet er slecht uit, hoe is dat nu weer gebeurd?’. Nu bleek hij in Casablanca het Mohammed-V stadion van voetbalclub Raja Casablanca te hebben willen afhuren om de Marokkaanse Nederlanders toe te spreken. Simpelweg om de Marokkanen uit te leggen dat alle goedwillende hardwerkende Marokkanen altijd welkom zijn bij de PeeFeeFee. Maar hij liet dat vergezeld gaan met een oproep aan het land om al die criminele Marokkaantjes op een rubberbootje te willen terughalen. Maar ja, meteen al op de luchthaven hadden ze hem herkend aan zijn geblondeerde kuif, en subiet in de boeien geslagen. De NPO schakelt terug naar Den Haag voor commentaar van Rutte, maar die blijkt niet beschikbaar. Ook de minister van Buitenlandse zaken blijkt onvindbaar. Maar er is plotseling nieuws van Schiphol. Een keurige man verschijnt in beeld. De haartjes strak in de brillantine naar achteren gekamd, en een heel fijn snorretje op de bovenlip. Hij draagt een camel-kleurige jas en onder zijn arm nonchalant een vetleren tas.
‘Meneer Hiddema, hoe schat u de kansen van meneer Wilders in?’, begint de verslaggever.
‘Tja, penibel is misschien voorzichtig uitgedrukt, maar we gaan ons stinkende best doen’.
‘Hebt u al contact gehad met de minister-president?’.
‘Ja hoor, maar die was aan het folderen in Tietjerksteradeel en hier stond zijn hoofd even niet naar’.
‘Maar snapt u dat nou, hij moet in actie komen, een streng beveiligde landgenoot is echt in dreigend levensgevaar!’.
‘Nou, dat zegt u, hij ziet dat anders, het schijnt dat Wilders’ broer in Indonesië is geboren. Ze zoeken eerst uit of hij wel terecht een Nederlands paspoort heeft’.
De verslaggever slaat steil achterover van verbazing, maar Hiddema gaat verder: ‘Oh ja, hij dreigde ook nog mijn licentie te willen laten afpakken als ik de heer Wilders ging bijstaan’. De verslaggever keek wild paniekerig om zich heen, maar Hiddema stelde hem gerust:
‘Ik ben dan weliswaar nummer 2 op de lijst Forum voor Democratie, maar neemt u van mij aan: ik zal niet van zijn zijde wijken!’. Ik sprong briesend van woede op in onze camper en stootte mijn hoofd.
‘Nou maar rustig aan’, zei Marijke, ‘ga maar even naar buiten afkoelen’.
Ik ga naar buiten, kijk om me heen, maar de rust is ver te zoeken. Ik kan het wel uitschreeuwen, wat een klojo’s, in welk land leven we eigenlijk. Zal ik zelf Henk Krol bellen, want Wilders is toch wel ouder dan 50? Ik ga zwemmen, besluit ik, ik moet afkoelen. Meteen loop ik naar de receptioniste en koop voor drie euro zo’n lullige badmuts, donkerblauw met een brede witte streep. Ik spring in het water en zie dat er al twee wat oudere dames hun baantjes spreid-sluitend aan het trekken zijn. Ik spreid-sluit me aan en langzaam keert de rust terug. Maar daar komt die met die dunne knokerige armpjes en beentjes het zwembad binnen. Ze trekt die witte badmuts over haar grijze weerbarstige haren en stopt die zichtbaar geïrriteerd onder die onwillige badmuts. Haar hele tonronde torso stevig ingesnoerd in een degelijk donkerblauw badpak. Alle ooit vrouwelijke rondingen zijn voorgoed verdwenen onder het donkerblauw. Ze stapt in het water en schijnt te wachten tot ik bij haar ben. Bits kijkt ze me aan:
‘What are you doing here? Its ladies-day today!’. Maar ik doe net of ik het niet hoor en trek mijn volgende baantje. Maar Misses Bouquet heeft besloten mij behoorlijk dwars te zitten. Ze gaat hinderlijk voor me zwemmen. Ik denk, niets laten merken, en zwem of-mijn-neus-bloedt achter haar aan. Met mijn mond stijf dicht en de neusgaten opengesperd net boven het water zwem ik recht vooruit. En zie die blauwe kikker spreid-sluitend voor mij uit zwemmen. Ik ruik de irritante chloorlucht van het 29-graden warme water, en bij de volgende spreid-sluit beweging realiseer ik me: ‘Etherische olie . . . ? Potverdomme ik ruik . . .’.
En badend van het zweet word ik wakker, het hart klopt me in de keel. Als Marijke ’s morgens vraagt: ‘Nog wat gedroomd vannacht’, antwoord ik: ‘Ja, maar dat is heel erg moeilijk te vertellen bij een boterhammetje hagelslag’. En daarom heb ik het maar opgeschreven, hebben jullie er ook nog wat aan.

vrijdag 24 februari 2017

Ik kan weer rustig plassen

Gisteravond controleerde Marijke nog even de medicijnen, die we meegenomen hadden naar Spanje. Meteen werd ook een nieuw stripje Tamsulosine voor mij uit de voorraad gehaald. Dat zijn mijn broodnodige capsules voor de prostaat. Het wordt even stil en even later hoor ik Marijke zeggen:
‘Potverdorie, zie je nu wel, ik moet niet meer naar jou luisteren. Ik had toch die nieuwe capsules voor jou gewoon moeten bestellen’.
‘Hoezo, er waren toch nog genoeg van die dingen tot 11 april hadden we uitgeteld, en dan zijn we al lang thuis’, antwoord ik. Het is weer even stil, er wordt nog eens geteld. Ik hoor een teleurgestelde zucht en een ontladende vloek:
‘Potverdorie, ik wist het wel, we hadden gewoon nieuwe capsules voor jou moeten bestellen bij de huisarts. Ik luister niet meer naar jou.’
Het kan wel zijn, maar toen we ze thuis geteld hadden, kwamen we toch echt uit op 11 april’.
‘Dat is niet waar, en nu hebben we een probleem, want hierna heb je er nog maar 20. En dus komen we tekort’.
Ik dacht, laat ik deze discussie niet verder voeren, dat lost toch niets op. En ik zal die rotcapsules sowieso toch moeten hebben, want mijn lotgenoten-op-leeftijd weten wat het betekent om zonder-te-zitten. Die kleine Tamsulosine-capsules zorgen er voortreffelijk voor dat onze prostaat ontspannen blijft, zodat we tot in lengte der dagen redelijk kunnen blijven piesen. Het is natuurlijk niet meer zoals het vroeger was, maar we redden ons ermee. En ik weet het zeker, als ik die dingen een paar dagen niet inneem ontstaan er onvermijdelijke problemen. Die protesterende prostaat knijpt dicht, en kruipt in zijn schulp met alle ellende van dien. Heel vaak moeten plassen, niet je blaas leeg kunnen plassen, altijd het gevoel hebben dat je moet en dan dat vervelende extra urineverlies. Wat een gedoe, dat moeten we echt niet hebben.
‘En nu’, zegt Marijke met volle overtuiging, ’nu heb je echt een probleem!’. Maar ik dacht hier ga ik niet verder op in. Ik zal toch op een of andere manier aan die dingen moeten komen. Het makkelijkste alternatief is simpelweg met een leeg doosje en mijn Europese zorgpasje naar de eerste de beste apotheek. En dan maar op hoop van zegen kijken of ik een vol doosje kan scoren.
Dat gaat niet werken, dat lukt je nooit, die krijg je niet zomaar zonder recept’, hoor ik Marijke denken. Dus overdenk ik alvast de volgende stap, als ik ze niet krijg bij de Farmácia (apotheek). Dan vraag ik wel of ze me naar een huisarts in Cambrils kunnen verwijzen. En nou ja, als zelfs dat niet werkt, dan bel ik in-het-uiterste-geval op naar onze eigen huisarts in Baarlo. Moet die me maar een recept doorsturen met de mail, doet ze vast wel.
Die avond besluit ik maar geen extra biertje of wijntje te pakken. ‘Wat is dat dan?’, vraagt Marijke, ‘krijgen we niets meer te drinken vanavond?’. Maar ik denk bij mezelf, laten we maar alvast beginnen met minder te drinken, voor het geval ik geen Tamsulosine kan krijgen. Laat ik maar meteen beginnen met de urineproductie te temperen. Alhoewel, ik ben ervan overtuigd en weet eigenlijk wel zeker dat het lukt. Alleen, hoeveel moeite zal me dat uiteindelijk gaan kosten binnen al die strenge Europese regels.
De volgende morgen zoek ik mijn Europese zorgpas en maak het doosje leeg, met die laatste 20 capsules erin. En dan met de fiets naar Cambrils, een werkelijk schitterend slingerend fietspad langs het strand tussen de wuivende palmbomen door. Een ouder echtpaar laat hun minuscule hondje uit en een Spaanse jongeman met van die dopjes in de oren maakt een duurloopje. En de blauwe Middellandse zee kabbelt rustig plas-opwekkend. We stoppen bij het knipperende groene kruis van de Farmácia aan de mondaine boulevard, we zetten onze fietsen voor de deur en ik haal mijn zorgpas en lege doosje een beetje nerveus tevoorschijn.
‘Olá, buenas dias’, zeg ik tegen de dame met witte stofjas achter de balie.
‘Buenas señores’, antwoordt de vriendelijke dame naar ons.
‘Tiène usted una paqueta de Tamsulosine’, vraag ik in mijn beste Spaans en onderstreep dat wat overdreven door mijn zorgpasje en het lege doosje naar voren te schuiven. Ze glimlacht innemend naar me, en ik lees haar gedachte: ‘Alweer zo’n ouwe zak die moeite heeft met plassen’. Ze schuift me het zorgpasje weer toe en heupwiegt als een Spaanse señorita weg met mijn lege doosje. En verdomd, even later legt ze een nieuw Spaans doosje met 30 capsules Tamsulosine voor me op de toonbank. Achter me ontwaar ik een diepe zucht van verlichting en ik zeg heel blij: ‘Gracias señora’. ‘De nada’, zegt de vriendelijke dame en loopt naar de kassa. Mijn Spaans blijkt in één klap uitgeput en een beetje vragend steek ik mijn betaalpasje omhoog en ze zegt weer ‘si si señor. . . ‘.
‘Oh’, zegt Marijke, ‘dan kunnen we gelijk een paar doosjes 1 grams-Paracetamol vragen, want die krijg je bij ons ook niet zomaar’.
En even later lopen we allebei apetrots naar buiten met een blanco wit papieren zakje. Met daarin twee doosjes 1-grams Paracetamol en één doosje 0,4-grams Tamsulosine. ‘Dat probleem is ook weer opgelost’, hoor ik Marijke opgelucht zeggen. En zo blijkt dat we in Spanje, in onze gezamenlijke maar oh-zo-verdeelde Europese Unie, compleet anders dan in Nederland, héél eenvoudig en vrijelijk aan onze medicijnen kunnen komen.Daar bovenop hadden we bij ons in Baarlo ook-nog-eens een half consult, die belachelijke administratiekosten voor de apotheek én de capsules zelf uit ons alsmaar oplopend eigen risico moeten betalen. Hier in Spanje krijg ik ohne-weiteres dat doosje met 30 capsules Tamsulosine rechtstreeks bij de Farmácia.
‘Enne’, vroeg Marijke nieuwsgierig onderweg, ‘wat moest je betalen. Viel het een beetje mee?’. Ik had natuurlijk van tevoren op internet opgezocht wat die capsules bij ons hadden gekost.
Nou, je gelooft het echt niet. Ze zijn zelfs nog goedkoper dan alleen al die administratiekosten van de Kringapotheek in Baarlo’.
Zo word je weer eens 1500km van huis keihard met de neus op de feiten gedrukt. Hoe wij in Nederland de zorgkosten alsmaar onnodig opdrijven. Het kan blijkbaar ook anders, en maar de schuld geven aan Brussel. Nee nee! 
Viva España . . . , het kan dus blijkbaar anders Markje.
Daarom wilde ik deze blog even met jullie delen!

vrijdag 10 februari 2017

Teambuilding in de Ardennen

Het is 1985, en het was in die tijd behoorlijk ‘in’, teambuilding met je eigen afdeling. Er was ook al een paar keer bij ons op kantoor serieus over gesproken, want een aanleiding was er overduidelijk. We hadden een nieuwe baas en onze groep was met een paar jonge honden uitgebreid. ‘Ingenieur’ Maarten, de jongste van het stel, wilde wel een survivaltocht uitzetten in de Ardennen. Onze nieuwe baas, ‘Doctorandus’ Oh-Jee, was meteen enthousiast, maar dan moest het wel echt een beetje pittig worden. We moesten dan wel onszelf confronterend tegenkomen en als groep naar elkaar toegroeien. Hij had immers ook ‘op-niveau’ hockey gespeeld, maar dat was aan zijn modderfiguur te zien al een heel tijdje geleden. Maar Bert en ik, de twee oudsten van het stel, waren niet erg onder de indruk, we zouden wel zien. Wij laten ons niet kennen. Het plan was om twee dagen naar het hartje van de Ardennen te gaan, tentje, slaapzak en droge spullen meenemen! Bijna iedereen durfde mee, we waren met z’n achten, zelfs één van onze drie dames waagde het erop. Heel dapper Dian.

We hadden afgesproken om zeven uur bij het station in Venlo, toch wel apart om iedereen op die manier gewoon in zijn vrijetijdskleding te zien. Lekker nonchalant, rugzakje slordig op de grond tegen de meer-of-minder ervaren bergschoentjes gegooid. Alleen Oh-Jee laat op zich wachten. Daar komt ie al aan, hij was met de trein gekomen uit Eindhoven. Bert stoot me aan en zegt: ‘Hou je mond Jan, jouw commentaar kan ik nu even missen’. Dus besluit ik maar gewoon op te schrijven wat ik toen dacht. Oh-Jee is een forse grote man, hij stapte resoluut op ons af, maar voor zijn jonge leeftijd toch wel echt te dik. Hij leek eigenlijk sprekend op Billie Turf, maar dan in lompen gehuld. Een versleten fleece-truitje boven een vaal gewassen ooit zwarte, en iets te ruime, hockeybroek. Met daaronder een paar afgetrapte hoge linnen sportschoenen met grijze wollen sokjes. Een te leeg legergroen rugzakje iets té joviaal over de linkerschouder gedrapeerd. Hij loopt zonder ons gedag te zeggen voorbij, rechtstreeks door naar Maarten: ‘Alles onder controle? Wat mij betreft kunnen we!’. Oh-Jee is een intelligente jongeman, boordevol gestouwd met theorie, maar duidelijk de weg kwijt naar simpele praktische uitvoeringen. Hij wil altijd gelijk hebben, en dan heeft ie het met ons natuurlijk héél slecht getroffen. Maar hij pikt dat nooit, wil altijd gelijk hebben, en met toenemend luider volume en opklimmende toonhoogte blijft hij zichzelf net zolang herhalen, totdat iedereen zwijgt en denkt ‘het-zal-wel’. Hij is daarnaast ook vrij arrogant, sociaal een beetje onbenullig en kleurt vrij snel rood in vrouwelijk gezelschap. In zijn schaarse vrije tijd is hij fervent aanhanger van het CDA. Maar zeker geen sprekend voorbeeld van een hoeksteen-van-de-samenleving. Nee, eerder een onbehouwen olifant in die bekende porseleinkast.

We gaan op weg met drie auto’s, het onbekende tegemoet. Twee uur later zie ik ons al vijf puptentjes opzetten in een natte wei, langs een snelstromend riviertje in die woeste Ardennen. Het is begin voorjaar, de gele bloempjes bloeien weelderig en de vogeltjes kwetteren naar hartelust. ‘Zijn jullie er klaar voor?’, roept Maarten en die bolle Oh-Jee staat trots langs hem te glimmen. We gaan op pad, toch wel een beetje nerveus besluiten Bert en ik een plaatsje achterin de groep op te zoeken. Vrolijk keuvelend lopen we door het ontluikende groen langs de woest stromende beek. Het gaat goed totdat Maarten rechtsaf slaat, er moet strak omhoog geklommen worden. Het begaanbare pad verandert in een glibberig steile berghelling die we slechts zig-zag kunnen nemen. Al snel halen Bert en ik de kreunende Oh-Jee in. Bovenop de top zegt Maarten ‘even wachten op de rest’. Iedereen is er al, behalve Oh-Jee, die puffend en met twee handen op twee knieën komt aangestrompeld. ‘Okay, we kunnen weer’, en we vervolgen onze weg, die allang geen weg meer genoemd mag worden, slingerend bergaf. Plotseling wijst Maarten naar links, we moeten weer klimmen. Voor het eerst in mijn leven hoor ik een fervent CDA-er hartgrondig vloeken. Maar Bert en ik hebben er geen moeite mee, sterker nog, we raken steeds meer in ons element. Deze berg is nog wat hoger dan de vorige en boven gekomen gaan we even op een stapel gezaagde bomen zitten. Het duurt dit keer wat langer, maar daar komt onze kamerolifant wat ongegeneerd wijdbeens aanstrompelen. Maarten zegt weer: ‘Okay, we zijn weer compleet’, en wil opstaan. ‘Dit is niet eerlijk potverdomme’, hijgt Oh-Jee en ploft met zijn dikke reet op een zielige boomstam. ‘Jullie kunnen steeds uitrusten, en als ik boven kom vertrekken jullie alweer. Ik wil ook even uitrusten potdomme!’. ‘Dat wordt nog wat, Jan’, zegt Bert en ik zie dat Piet zijn eerste foto’s maakt, hij heeft er tenslotte alle tijd voor. Even later kunnen we weer, en Maarten besluit in de buurt van Oh-Jee te blijven. We stoppen bovenaan een steile richel, met voor ons een afschrikwekkend ravijn. ‘We gaan abseilen’, zegt Bert. ‘Waarmee? We hebben geen touwen mee! En zeker geen stoeltjeslift voor die bolle’, antwoord ik.
‘Okay’, zegt Maarten, ‘we gaan hier steil naar beneden. Dat doen we met ons gezicht náár, en onze buik tégen de berg aan. Er is genoeg houvast aan de kleine boompjes en de vele richels, maar doe het wel behoedzaam’. Ik denk bij mezelf, doe maar rustig aan, maar Piet heeft er duidelijk zin in, die is al een eind op weg. Hij wil foto’s maken van onze halsbrekende toeren. Bert en ik blijven bij elkaar en dalen rustig af, al doende blijkt het eigenlijk een makkie. Plotseling schrikken we van brekende takken en een zwaar schurend geluid. Ik kijk opzij en zie Oh-Jee op z’n kont levensgevaarlijk tussen ons door naar beneden schuiven, daarmee elke instructie in de wind slaand. In gedachten zie ik ons al van twee boomstammetjes en dunne takjes een draagbaar in elkaar knutselen om Billie Turf straks naar de ziekenboeg af te voeren. Oh-Jee schuift helemaal door naar beneden en blijft daar akelig doodstil zitten. Van bovenaf gezien lijkt het net zo’n aangekleed Boeddha-beeld. Als we beneden komen zit hij er nog steeds, totaal verslagen en tot op het bot vernederd. ‘Wat een afgang’, zegt Bert. ‘Hoe bedoel je dat?’, probeer ik. ‘Nou Jan, vaak kunnen woorden meerdere betekenissen hebben, daar hoef je echt geen doctorandus voor te zijn!’, glimlacht Bert. Piet stoot me aan en zegt: ‘Die heb ik erop staan!’, en wijst trots op zijn cameraatje. Het duurt wel even voordat we Oh-Jee weer rechtop hebben. ‘Het wordt nu wat makkelijker’, troost Maarten, en verdwijnt weer tussen die vervelende braamstruiken. Oh-Jee volgt strompelend rechtdoor zonder enige poging die scherpe dorens te ontwijken. We komen bij een woest stromend bergriviertje, weliswaar niet diep, maar wel erg breed en bezaaid met van die ronde dikke klote kiezelstenen. Maarten stelt voor dat we onze schoenen uitdoen, en met geknoopte veters om onze nek hangen. Dan mekaar een hand geven en voorzichtig in een menselijk lint naar de overkant balanceren. ‘Eindelijk teambuilding’, hoor ik iemand roepen. Iedereen reageert, behalve Oh-Jee, die het verrekt om zijn linnen schoentjes uit te doen en die toegestoken hand te accepteren. Nou, het water is verrekkes koud en die rotsteentjes erg pijnlijk en lastig om je voet steeds te verplaatsen. Maar Oh-Jee ploft, sopt en balanceert als een overmaatse waterbuffel, met de armen wijd gespreid, plompverloren door het koude water. We houden ons hart vast! Alhoewel, ik verdenk de meerderheid ervan, dat ze hopen dat het goed fout loopt. Met alleen natte schoenen haalt hij de overkant.
Maarten had werkelijk een schitterende gevarieerde tocht uitgezet. Alleen voor onze Oh-Jee(zus) bleek het een ware kruisweg, onze overtuigde CDA-er viel meerdere keren genadeloos onder het kruis. Het liep al tegen de avond toen we op de natuurcamping aankwamen. Maarten had met de beheerder geregeld dat het vuur al brandde en het Belgisch bier koud stond. Maar niet voor Oh-Jee, die liep linea recta door naar zijn tent. ‘Ik denk droge schoenen aandoen’, merkte Maarten droogjes op. Maar bij het tweede biertje begonnen we ons zorgen te maken en gingen poolshoogte nemen. Het geluid wees ons onmiskenbaar de goede weg. Daar lag ie, plat voorover op zijn buik luidruchtig te snurken. Voor het eerst durfden en konden we hem goed bekijken. En dat deden we dan ook rustig van alle kanten. Ocherm, zijn armen en benen helemaal bebloed door de talloze schrammen. Zijn broek was gescheurd en smerig van zijn veel te roekeloze afdaling. Nu lag hij daar, zijn armen en benen gespreid, zijn dikke eigenwijze kop een beetje schuin naar links. Zonder wat te zeggen lieten we hem zo liggen en keerden zonder onze afdelingschef terug naar het behaaglijke houtvuur en het welverdiende biertje. Teambuilding zonder chef is toch wel apart, en het werd nog laat en erg gezellig.
De volgende morgen aan het ontbijt was het angstig stil. Oh-Jee smeerde zijn zoveelste broodje en zat met zijn rug naar ons toegekeerd alleen met Maarten aan een tafeltje. Hij had wel een droog vaalwit T-shirt aan en droeg gewone schoenen. Maar nog wel diezelfde zwaar mishandelde en toegetakelde broek. Maarten nam het woord: ‘Het programma is iets aangepast, we gaan zo meteen kajakken. We worden zo meteen een eind stroomopwaarts afgezet, en dan komen we hier hopelijk weer terug’, lachte hij een beetje zenuwachtig. ‘Die heeft in het kader van democratische teambuilding een dictatoriaal bevel opgelegd gekregen’, mompelde Dian, onze enige vrouwelijke deelneemster.
Even later werden de smalle wiebelige kekgele kajaks verdeeld. Oh-Jee drong duidelijk voor, hij wilde als eerste, en wij vonden dat prima. ‘Er kan niks fout gaan, de kajaks weten de weg’, riep Maarten, ‘halverwege stoppen we, maar dat geef ik wel aan!’. En zo zakten we het wilde riviertje af, het ging eigenlijk wie-am-schnürchen. De kajak zocht zelf de meest logische weg, we hoefden alleen met de peddels een beetje te sturen en het evenwicht te bewaren. En onze Oh-Jee peddelde resoluut voor ons uit, af en toe nerveus omkijkend, bang dat we hem zouden inhalen. Maar we lieten hem, het kajakken verveelde snel, totdat bleek dat je met de peddels ook mekaar kon volspetteren en omduwen. En toen werd het toch weer leuk, maar het kon nog leuker. Ergens halverwege was de geplande stop en Maarten maakte tempo om bij Oh-Jee te komen. Maarten wees met zijn peddel naar een klein zandstrandje, ten teken dat we daar moesten aanleggen.  Oh-Jee reageerde meteen en stuurde de punt van zijn kajak resoluut muurvast in het gewillige zand. Maar toen sloeg de paniek toe, want de achterkant van die kajak miste nu enig houvast. En het wild stromende water dat genadeloos zijn weg wilde vervolgen, duwde tegen het gewillige achterkantje. Ooh jeej, de kajak maakte een halve slag en sloeg pardoes om. Ook Oh-Jee maakte een halve slag en viel pardoes in het ijskoude water. Alleen zijn dikke kop bleef boven water, terwijl Maarten nog net zijn kajak kon behoeden voor een Oh-Jee-loze kajak-abortus. En daar kwam zijn hele afdeling rustig afzakken naar dat noodlottige zandstrandje. Ze zagen allemaal dat hun afdelingshoofd zielig met zijn dikke kop boven het snelstromende water uit stak. Ik had het niet meer, met moeite door het ingehouden lachen kon ik de kajak en mezelf nog net op tijd op het droge krijgen. Maar toen was ik ook niet meer te houden. Ik kroop minutenlang over de grond van het lachen. Toen ik weer tot mezelf kwam zag ik nog minstens vijf man niet meer bijkomen van het gieren en brullen. Op een aangespoelde boomstronk zat Maarten troostvol naast een nederig hoopje Oh-Jee. Het eens zo woeste bergwater sijpelde nu tergend langzaam uit dat héél lang geworden vaalwitte T-shirt. Het scheen zielig roze door, zoals je dat wel eens ziet bij een wet-T-shirt-competition. Ik kon er echt niets aan doen, voor de tweede keer moest ik proesten van het lachen. ‘Nou Jan, daar gaat je goeie beoordelingsgesprek naar de klote’, mompelde Bert.
’s Avonds gingen we weer naar huis, maar onderweg zouden we wel nog een hapje eten. In een beregezellig Belgisch restaurantje zaten we lekker te eten. ‘Nergens over praten’, hadden we elkaar al toegefluisterd, ‘net doen of onze neus bloedt’. Maarten had voor dit speciale Teambuildings-weekendje helemaal zelf heel speciale diploma’s gemaakt. Mimi, die er zelf niet bij was, had ze stijlvol gekalligrafeerd. Prachtig, één voor één moesten we naar voren komen om ons welverdiende diploma in ontvangst te nemen. En ja, hij kon natuurlijk niet anders, als allerlaatste kreeg ook Oh-Jee zijn zuurverdiende bewijs van onvermogen. En zoals dat bij een chef van zijn kaliber hoort, nam hij ook het laatste woord. Na iedere halve zin kuchte hij nerveus, en keek wat schichtig in ‘t rond, zoekend naar iets wat er niet was. Hij bedankte Maarten voor de mooie tocht en de keurige organisatie. Enne ja, hijzelf was dit weekend niet in zo’n goede doen geweest. Het was niet geworden wat hij zelf voor ogen had gehad. Hij eindigde met nederig gebogen hoofd: ‘Maar ik wil jullie wel uitdrukkelijk vragen, dat we sommige voorvallen toch wel binnen onze eigen groep kunnen houden’. ‘Jaja, sommige wel’, mompelde Piet, ‘maar niet alle’. En hij streek daarbij bijna verliefd over zijn camera, die een voorkeurspositie op zijn schoot had ingenomen.
Die maandagmorgen kwam ik wat later op het werk, en liep de kamer van onze secretaresse Mimi binnen. ‘Prachtige diploma’s had je gemaakt Mimi, mooi gedaan’. Maar ze hield haar hand verschrikt voor haar mond en mompelde ‘wat erg hė? Oohh, wat verschrikkelijk erg hè?'. Maar ik dacht ‘mijn beoordelingsgesprek is sowieso al naar de klote’, ik houd verder mijn mond.
Heel voorzichtig schoof zij de bovenste la van haar bureau open en ik zag een prachtige foto. Onze niet meer zo gerespecteerde Oh-Jee stortte in een allesvernietigende ruggelingse positie van een bekende berg naar beneden. 'Jaja, je hebt wat gemist, teambuilding in de Ardennen!'.

zaterdag 4 februari 2017

Hotpants


Sommigen vinden het gek, maar zo gauw als we weg zijn met de camper, overvalt me die dringende behoefte, om die korte broek aan te doen. Ik draag sowieso zomer-en-winter altijd van die flinterdunne lange katoenen broeken. Maar eenmaal buiten het gezichtsveld van ons oerdegelijk sociaal gecontroleerde Noord-Limburg, gaat die lange broek uit en krijgen mijn benen de vrijheid.  Op de campings waar we wat langer staan, kennen ze me steevast als ‘die-man-met-die-korte-broek’. En met ingehouden bescheidenheid durf ik te stellen dat die pijp-loze variant me best staat. Ik hoor die twee vrouwen van mijn sportmaten nog tegen Marijke zeggen: ‘We hebben ze even beoordeeld Marijke, maar jouw Jan heeft de mooiste benen’. Niet dat ik daarmee naast mijn schoenen ga lopen, nee hoor, ik vind blote benen gewoon prettig. Het laat me weer die ondeugende jongen voelen, die na schooltijd die ouwe korte broek aanschoot om lekker buiten in het zand te gaan rollebollen.
Nu staan we alweer bijna een week op camping Joan in Cambrils en verdomd, als ik om me heen kijk ben ik ben weer de enige met een korte broek. Alle overige mannen dragen wel van die nonchalante vrijetijdskleding, en de meesten bedekken hun benen met het bekende spijkerstof. In alle mogelijke maten en blauw-schakeringen, alleen die variant met die kapotte knieën zie je hier niet. Want de gemiddelde leeftijd ligt duidelijk boven de 65, en de bijbehorende dames houden overduidelijk nog van breien, haken en stoppen. Tussen ons perceeltje en het toiletgebouw staan twee Nederlandse campers, keurig op bescheiden afstand achter elkaar. De vrouwelijke bewoonsters zijn continu druk bezig en hun mannen zitten de hele dag nietsdoend voor hun tijdelijke behuizingen. Enkele keren per dag staan die mannen over het heggetje, dat hun perceeltjes scheidt, met elkaar te kletsen. Zoals ook huisvrouwen dat vroeger deden. Ze hebben veel lol samen, dat is goed te horen. De een heeft ‘n beetje gezet bovenlijf, met daarboven een markante eigenwijs asgrijze krullenkop. Hij staat daar met z’n handen in z’n zakken en heeft een aanstekelijke harde lach. Als hij lacht, buigt hij voorover en draait daarbij een kwartslag, wel grappig. De ander heeft een opgeblazen dikke kale kop. Hij draagt een lichtgrijze houthakkersblouse in een gigantisch grote spijkerbroek. Die wordt op zijn plaats gehouden door grijsblauwe brede bretels, vastgezet aan die onmetelijke broek met twee oenige leren bandjes. Daar onderuit komen twee echt té licht groene Clogs-schoenen. De man is wel erg dik, het lijkt wel of hij een binnenband van een vrachtwagen onder zijn broek en shirt verbergt. Maar hij is blijkbaar wel de meest grappige en welbespraakte van de twee.

Iedereen loopt spitsroede langs die twee grapjassen, op hun weg naar dat onvermijdelijke toiletgebouw. Een Engels dametje in roze badjas passeert, een lichtblauwe handdoek nonchalant over de schoudertjes gedrapeerd. Ze draagt van die stoffen schoentjes met van die witte pomponnetjes, die eigenwijs meehuppelen. Ik zie die kale dikke met zijn hand aan de mond iets fluisteren in de richting van die krullenkop. Die barst uit in een schaterlach en draait zich twee keer een kwart slag in de rondte. Het vrouwtje maakt van schrik een extra huppeltje, en ik moet ineens denken aan ongewenste intimiteiten. Ik weet niet waarom. Even later moet ik zelf naar het toiletgebouw, en denk laat ik ze maar voor zijn en zeg wat overdreven: ‘Een hele goedemorgen heren!’. ‘Mogge’, hoor ik even later in koor achter me en ik voel dat ze ook mij nakijken. Als ik terugkom en opnieuw langs de twee bejaarde schoffies paradeer, wijst die dikke in de richting van mijn korte broek en zegt: ‘Zit die wel lekker, die hotpants . . . ?’. En die krullenbol valt spontaan voorover in een deuk, en krijst het uit over de hele camping. Maar die mij een beetje kennen, weten dat ik het wel kan waarderen als ze over me lachen. Want ze kunnen beter om je lachen als om je huilen, is één van mijn levensmotto’s. Helaas voor die dikke, ben ik ook niet op mijn mondje gevallen. Dus ik houd in en sluit me met een glimlach aan bij de twee over-de-heg-vriendjes: ‘Nou, als je me dat toch vraagt, dan zal ik je dat vertellen! Mijn vrouw vind het niet altijd en overal gepast als ik zomaar in een korte broek loop! Maar laatst zei ze toch wel tegen me: ik zie je liever met een hotpens dan met een vetpens!’. Het was eruit, voordat ik de feitelijke diepgang kon overzien. Het kwaad was al geschied, want die krullenkop sperde zijn mond open, en viel pardoes voorover in het zielige hegje. De man kwam niet meer bij, greep zich met beide handen in zijn kruis en stikte bijna van het ingehouden lachen. Alleen die dikke verstijfde als een zoutpilaar, zijn laadklep viel weliswaar ook open, en ik zag warempel een druppeltje vocht uit zijn mondhoekje komen. Hij draaide zich compleet verslagen om en verdween moeizaam in zijn camper. Zijn buurman steunde intussen met beide handen op zijn knieën, nog steeds brullend van het lachen, en kreunde: ‘Ga je ook je hotpens aandoen buurman?’. Ikzelf overzag even het slagveld, dat ik had aangericht, en liep met enige trots-doorspekte spijt door naar ons eigen perceeltje.
’s Middags ging ik trainen op het mooie witte strand van Cambrils, de palmen wuifden me al tegemoet. Met een nog kleiner rood broekje liep ik die 50 meter verderop naar mijn uitnodigende werpplek. Het werpgewicht in de ene hand, en de gele emmer met kogel, discussen en werpkogeltjes in de andere. ‘Hallo’, zei ik tegen die dikke die weer voor zijn camper zat, maar er kwam niets terug. Hij zat wat te spelen en te draaien met een té grote spiegelreflexcamera op zijn schoot. Toen ik even later op het strand bezig was, zag ik hem met de fiets van de camping komen. Ik dacht nog, die gaat ook wat aan de lijn doen, maar hij parkeerde de fiets vlakbij mijn werpplek en ging wijdbeens op de bank zitten. Hij volgde enige tijd mijn verrichtingen. Vervolgens haalde hij die grote camera uit zijn fietstas en begon foto’s van mij te maken. En ik bleef fanatiek al dat werp-ijzer weggooien in het rulle zand, om het telkens weer moeizaam op te moeten halen. Toen ik bijna klaar was met mijn geplande training, bedacht ik toch dat ik iets had goed te maken met die dikke. Dus ik pakte m’n spullen bij elkaar en ging naast hem zitten op die bank.
‘Hèhè, dat hebben we weer gehad!’, begon ik het gesprek, maar de dikke zweeg. Quasi ongeïnteresseerd bekeek hij de foto’s op zijn camera. ‘Ja, ik moet zo af en toe wat doen’, vervolgde ik, ‘de hele dag op mijn kont voor die camper zitten is niets voor mij’. De dikke man zuchtte: ‘Ja ja, ik zou ook wat meer moeten bewegen. Was ook van plan om wat te gaan fietsen, en toen zag ik jou. Alleen al van het kijken ernaar word ik al moe’, verzuchtte hij. ‘Nou, je had best mogen meedoen, lekker door het losse zand struinen en een stuk agressie kwijt raken. Werpen verschilt maar één letter van werken, en dat moeten we toch zo ver mogelijk van ons afgooien, toch?’. ‘Ik heb trouwens een paar mooie foto’s van je gemaakt’, zei de man, blijkbaar om op een ander onderwerp over te schakelen. ‘Staat m’n hotpants er ook goed op?’, probeerde ik. Maar de man zweeg, blijkbaar had ik hem vanmorgen te diep gekrenkt. ‘Je hebt toch geen foto’s van mijn schoenen gemaakt, hoop ik?’, zei ik weer tegen de dikke. Die vloog rechtop en trok de camera dichter naar zich toe. ‘Hoezo . . . ?’, zei hij, ‘wat bedoel je daarmee?’. ‘Nou, gewoon, ik word gesponsord door Asics, en die hebben daarmee tevens het alleenrecht op reclame!’. ‘Potverdomme nondedju’, zei de dikke, ‘wat een gesodemieter, dan kan ik alle foto’s wel verwijderen! Dit lijkt wel een bijzonder enge grap’. ‘Ja ja’, zeg ik, ‘maar wie was daar vanmorgen mee begonnen?’. De man keek me aan, slaakte een diepe zucht en sloeg zijn dikke arm om me heen.