zaterdag 26 april 2014

Ik zit me kapot te schamen . . .

imageJan Smit (M80) vroeg me afgelopen week om hem te helpen met het inschrijven voor het NK Masters in Utrecht! 'Kijk ook eens naar mijn medaillelimieten, want die kan ik niet vinden!'. Natuurlijk doe je dat, maar toen ik die medaillelimieten onder ogen kreeg voor de mannen 80+ op de werpnummers schrok ik me wezenloos: 'Dat haalt die nooit . . . hoe kan dát nou, hoe kán dat nou . . . ?'. Ik had alleen nog vluchtig naar mijn eigen limieten gekeken: ‘Nou, dat gooi ik nog met links!’, dus ik had aangenomen dat die voor Jan Smit ook een makkie zouden zijn. Hij is immers een véél betere werper als ik, daar moet iets niet kloppen.

Jan Smit (geboren 22.09.1931) behoeft eigenlijk geen introductie onder atleten, en ik weet niet of ik hem voldoende recht doe, maar ga het toch even proberen. Jan is de nestor van ons Nederlandse werpers-peloton, én de pionier van de werpvijfkamp. Na zijn omzwervingen in Amerika en ervaring in Zuid-Afrika besloot Jan zo’n twintig jaar geleden de werpvijfkamp in Nederland te introduceren. PSV-Atletiek had hier wel oren naar, alleen die werpgewichten? Waar halen we die vandaan! Geen probleem, Jan liet uit eigen zak een complete set overkomen uit Amerika. Via via hoorde ik dat hij samen met Frans Klep die eerste officiële werpvijfkamp in Eindhoven had georganiseerd: Kogelslingeren – Kogelstoten – Discuswerpen – Speerwerpen – Gewichtwerpen. Dat leek me wel wat, en voor de tweede werpvijfkamp meldde ik me dan ook aan, wat een geweldige happening, het heeft me niet meer losgelaten. Ik was in die tijd zeker geen werper, maar dat valt allemaal nog wel te leren. Jan Smit was mijn grote voorbeeld, hij was immers Nederlands recordhouder discus M60 met 48.04 meter. Een sympathieke man, die terloops ook nog discuskampioen van Zimbabwe schijnt te zijn geweest. Een grote promotor voor de atletieksport, en dan vooral voor het (toen) in Nederland achterblijvende werpen. Jan Smit stond aan de bakermat van de eerste Nederlandse kampioenschappen werpvijfkamp. En toen er problemen ontstonden met de organisatie van het NK-Kogelslingeren bij de masters. ‘Geen probleem, dan doen wij dat toch hier in Eindhoven . . !’. En Jan mobiliseerde de juiste personen om zich heen, en regelde en passant ook nog het eerste Nederlands kampioenschap gewichtwerpen. En of je het gelooft of niet, hij stond ook aan de basis van het eerste Duitse Werpvijfkamp-Kampioenschap in Borken. Bij ons jaarlijks bezoek aan Borken had hij trots zitten vertellen dat WIJ een nationaal kampioenschap werpvijfkamp hadden en ZIJ niet! En natuurlijk mocht hij als eregast ‘buiten mededinging’ meedoen. En ik kan het weten, want Frans Klep en ik waren er ook bij! In al die jaren reeg Jan Smit de Nederlandse records en kampioenschappen aaneen.

Zo nog afgelopen jaar in Krefeld-Uerdingen (D), waar hij zijn (voorlopig) laatste Nederlands record verbeterde met kogelslingeren M80: 25.62 meter. 'Zo zie je maar, als je lekker ontspannen draait gaat ’t vanzelf . . ‘, vertrouwde hij ons glimlachend toe en ging ’s avonds glimmend van trots met de ‘Tagespreis’ naar huis.
image
Nu weer terug naar die medaillelimieten! Die zijn echt veel te hoog gegrepen bij de oudere leeftijdsklassen! Hij zal wel kampioen worden, maar om een daarbij horende waardering (een medaille) te halen moet hij zijn eigen Nederlandse records kogelslingeren (25.62m) en gewichtwerpen (10.49m) gooien. Dat kan toch niet, wie heeft dat nu weer bijeen gefantaseerd? Ik ben 16 jaar jonger en hoef maar luttele 29.10 en 10.80 meter te gooien, respectievelijk op respectabele 25 en 7 meter van die Nederlandse records. Hoe schrijnend kun je het hebben. Daar heeft iemand ontzettend zitten pitten! Het gaat toch om Nederlandse kampioenschappen naar Nederlandse maatstaven? Weet je wat, ik heb ooit nog eens succesvol een pittige tweejarige opleiding tot Statistisch Analist gedaan. Laat ik eens statistisch glashelder aantonen dat hier iets grondig fout zit. Hèhè, dat is me ook nog gelukt, nu nog iemand overtuigen van zijn ongelijk.

Gisteravond gaat de telefoon: ‘Met Smit spreekt u. Beste Jan, die medaillelimieten van jou daar klopt helemaal niets van, een oude man van bijna 83 jaar kan onmogelijk elk jaar zijn Nederlands record verbeteren. Waar zijn die mee bezig?’. En Jan start een ellenlang wetenschappelijk betoog over het progressief verlies van krachten vooral vanaf de 60 jaar! Verlies van krachten is afname spiermassa en dus prestatie. Ik kan de spraakwaterval slechts af en toe instemmend onderbreken. ‘Jaha, uhhu, ik weet ‘t . . . ‘.
image
Het plaatsvervangend schaamrood stijgt me geleidelijk naar de kaken, ik merk dat ik diep bedroefd raak terwijl ik er feitelijk niets aan kan doen. Ik heb die limieten toch niet gemaakt! Fout ligt immers bij de Atletiekunie, die blijkbaar iemand de opdracht geeft om medaillelimieten vast te stellen. Er liggen al tig jaren redelijke en geaccepteerde Medal Standards bij de Europese bond EVAA, maar ja, de Atletiekunie moet weer eens opnieuw het wiel uitvinden. En nu zitten wij weer met de gebakken peren. Natuurlijk had ik al contact opgenomen met de samensteller van die medaillelimieten. Maar met een kist wortelen valt moeilijk te discussiëren. Jan vervolgt zijn betoog:

‘Weet je nog dat we afgelopen jaar verschillende keren door de sneeuw naar Papendal zijn geweest? Dat we nog een keer overnacht hebben bij van der Valk om toch maar op tijd te zijn? Toen wilden ze me in één klasse stoppen met mannen, die mijn zoons hadden kunnen zijn. En dan ook nog laten strijden om hét Nederlands kampioenschap!’. ‘Ja Jan, dat was heel erg vernederend wat we daar hebben moeten doormaken. Maar we hebben gevochten voor onze masteratletiek en uiteindelijk start iedereen nu wel in zijn eigen klasse!’. Jan hoort het blijkbaar niet:‘Toen wilden ze die oudjes al wegjagen van het atletiekveld, en nu worden ze ook nog eens vernederd met ridicule limieten . . . ‘.

Mijn linkerhand is gebald tot een vuist, de rechter knijpt de telefoon bijna tot gruis. Ik bespeur een machteloze woede in me opkomen, mijn ogen worden vochtig bij het staren naar die klote medaillelimieten. ‘Jan, we komen zo niet verder, laten we het voorleggen aan het Platform masters’. ‘Nou ja . . (ik bespeur grote twijfel) . . maar we gaan niet meer naar Papendal, dat vond ik wel zo . . .’.
AnaLim
We beëindigen ons telefoongesprek en met een gloeiend nasuizend rechteroor zit ik nog even, niet meer zo trots, naar mijn analyse te staren. ‘Snappen ze dat nu niet? Iedereen snapt dat toch als ze dit zien!’. Vanaf de mannen M35 tot aan de M60 liggen de medaillelimieten voor het NK zo’n 20% onder de Medal Standard EVAA voor Europese kampioenschappen, kippetje, 10% had ook gemogen. Vanaf de mannen M65 ziet iedereen, die kleuterschool gehad heeft, dat de Nederlandse limieten lineair progressief uit de pas gaan lopen met de Europese standaard, toch???

Ik geef het op! Waar maak ik me druk over?

Ik ga bij Marijke op de bank zitten, maar het laat me niet los. In gedachten weggezonken zie ik Jan in Borken vertellen dat WIJ een nationaal kampioenschap werpvijfkamp hadden en ZIJ niet. Ooit ontmoette ik in Tata (Hongarije) Georg Glöckner, de man die in Duitsland de werpvijfkamp introduceerde. Er worden nu werpvijfkampen georganiseerd die zijn naam dragen. De man werd in Tata met alle egards tegemoet getreden, als ware hij de president. Jan Smit zou dit nooit willen. Jan Smit is een veldwerker, sportman en atletiekpromotor, een doener in hart en nieren. Hij wil nog presteren binnen zijn mogelijkheden. Enthousiast en de mouwen opstropen voor eerlijke sport. Voor mij verdient hij een standbeeld. Maar ja, waar maak ik me druk over?

Marijke kijkt me aan: ’Is er iets mis, je bent zo stil’.
‘Ik zit me kapot te schamen hoe we in Nederland met echte toppers omgaan’.

Medaillelimieten NK zie: http://www.nkmasters.nl/Wedstrijd/Medaillelimieten
Medaillelimieten EVAA zie: http://www.evaa.ch/files/results/evacs-2010--medal-standards.pdf

maandag 21 april 2014

Hoeveel pogingen krijgen we?

Het nieuwe baanseizoen is nog maar net gestart en de willekeur regeert alweer in atletiekland. Mijn sportmaat werd hier vandaag bij PH-Vught weer héél erg pijnlijk mee geconfronteerd. Gezien eerdere vervelende ervaring in Vught was ik al thuis gebleven. Maar hij besloot elk risico uit te sluiten en vooraf keurig te informeren bij de organisatie: ‘Hoeveel pogingen krijgen de werp/stoot onderdelen. Dat staat nergens vermeld en ben bang dat dit weer zal gaan afhangen van het aantal na-inschrijvingen. Het risico van een grote groep is aanwezig bij na-inschrijvingen, en dan is de organisatie er meestal niet op voorbereid hoe dit goed te regelen. Blijft het een grote groep is het veel te lang wachten tussen de worpen/stoten, ga je splitsen moeten er atleten extra lang wachten (2e groep), normaal is 6 pogingen maar dan gaan organisaties het ineens terugbrengen naar 3 of 4 pogingen.’

Hij krijgt dezelfde dag keurig antwoord: ‘Ik weet niet wie u bent en vanuit welke deskundigheid u de opmerking maakt. Ik stel kritiek zeer op prijs maar voel er weinig voor om te reageren op een aantal opmerkingen van iemand die ik niet ken. Wij gaan uit van 6 pogingen maar het wedstrijdverloop moet wel correct en beheersbaar blijven.’

Ondanks het pedante toontje reist hij enigszins gerustgesteld af naar Vught. Nadat hij zich had aangemeld en het sportpark betreedt hoort hij de speaker bekend maken dat er (slechts) drie pogingen waren op de werpnummers. Potnondedjuu . . en het vraagt verder weinig empathie om je voor te stellen hoe hij zich voelde, zwaar klote. Protesteren bij de organisatie haalde weinig uit, ze waren zeer verguld met de overweldigende belangstelling en de wedstrijdleider was tot dit besluit gekomen. Maar heeft PH Vught en de wedstrijdleider correct gehandeld? Nee, het betreft hier een regionale wedstrijd en het wedstrijdreglement is hierin glashelder:

Blz.53 WR zegt: ‘De wedstrijdleider is verantwoordelijk voor het juiste verloop van de wedstrijd. Hij ziet erop toe, dat de jury naar behoren haar werkzaamheden verricht. Voor elk onderdeel verdeelt de wedstrijdleider de taken over de juryleden (zoals plaats bij de ring of afzetbalk, meten, beoordelen geldig/ongeldig). Ook deelt hij de juryleden mee hoeveel pogingen reglementair zijn toegestaan, zelfs als dit aantal in het programma is vermeld. Hij overtuigt zich ervan dat de atleten hierover zijn of worden ingelicht.’

Blz.114 WR gaat verder: ‘Als er aan de technische onderdelen meer dan acht atleten deelnemen hebben allen, met uitzondering van het hoogspringen en polsstokhoogspringen, recht op drie pogingen. De acht atleten met de beste geldige prestaties hebben recht op drie extra pogingen. Opmerking (iv): Bij regionale en instuifwedstrijden kan om organisatorische redenen worden bepaald, dat minder dan acht atleten recht hebben op drie extra pogingen. Dit moet vooraf in de wedstrijdaankondiging worden vermeld.

Hier staat geen woord Spaans, toch? Wel valt zo langzamerhand te concluderen dat het amputeren van werpwedstrijden een typische Nederlandse afwijking is. In België en Duitsland maak je dat echt niet mee! En nog ergerlijker, tijdens de wedstrijd bleken zes pogingen goed haalbaar. Nu moest er onnodig drie kwartier gewacht worden tussen kogel en discus! En gunde de wedstrijdleider een extra vierde poging bij discus, waar zes pogingen gewoon mogelijk waren geweest!

De organisatie stelde een vraag bij de deskundigheid van mijn sportmaat. Misschien moet ik dit kort toelichten, hij is bijna 65, sinds mensenheugenis atleet, zeer goed op de hoogte van het wedstrijdreglement, werptrainer en Nederlands kampioen discus M60. Sinds diverse jaren proberen we samen via Atletiekunie en organiserende verenigingen onze adviezen te laten neerdalen ‘hoe je een wedstrijd laat lopen’. Want die deskundigheid is op te veel atletiekvelden ver te zoeken!

Mijn advies: laat iedereen zich gewoon aan het wedstrijdreglement houden en lees ter lering en vermaak nog eens mijn blog van vorig jaar: http://dagboektitven.blogspot.nl/2013/08/hoe-laat-je-een-wedstrijd-lopen.html

Onze atletiek is een machtig mooie én goed gereglementeerde sport, neem ons dat plezier niet af met willekeurige ingrepen . . . .